r was eens een klein koninkrijk dat volledig in de ban was van een draak.
Niet zomaar een draak, nee, een verschrikkelijk monster, dat vuur kon
spuwen. Hij leefde in een stinkend moeras, waar hij grote gouden
drakeneieren bewaakte.
En daar ging de dappere koning. Met een angstig bibberende raadsman in
zijn kielzog trok hij het woud in, waar een kronkelend pad hen uiteindelijk
bij het zompige moeras bracht. Tussen de nevelslierten door zagen ze
vaag de glinstering van een paar gouden eieren.
Op een kleine houten brug stonden ze plotseling stil, toen een afgrijselijk
geluid hen verwelkomde. ‘WRAAAAH!’ brulde de draak, die voor hen
opdoemde vanuit de nevel. ‘Daar hebben we de koning zelf! Wrahaha!’
Hij sprong vooruit en sloeg met zijn machtige staart zo hard in het water
dat er een vloedgolf ontstond. De hoge golf wierp de koning en zijn
raadsman tegen de vlakte. Daar lagen ze, drijfnat, en de draak lachte:
‘Wrahaha! Ik ben de heerser van het water!’
De koning krabbelde als eerste overeind, zette zijn kroon recht en wrong
zijn baard uit. ‘Hum, eh… inderdaad, erg indrukwekkend, waarde draak,’
zei hij. ‘Dat dacht ik ook!’ brulde de draak trots. ‘En ik ben ook de
heerser van het vuur!’ Hij voegde de daad bij het woord en de vlammen
spoten meters ver uit zijn bek. WHOESJ! De houten brug stond
onmiddellijk in lichterlaaie.
‘Help!’ riep de raadsman en in paniek sprong hij in het water. Het vuur
greep snel om zich heen en ook de koning kon ternauwernood van het
bruggetje springen, anders was hij vast en zeker verbrand!
Ze stonden tot hun middel in de drassige poel en keken toe hoe de draak
het vuur doofde met een enorme plens water.
‘WRAHAHA!’ lachte hij. ‘Dat was leuk! Maar wat brengt jou eigenlijk
hier, beste koning?’ ‘Het zit zo…,’ begon de koning zo kalm
mogelijk, ‘zoals u weet laat ik u elke dag twee schapen bezorgen.
Maar…’ De koning aarzelde even en haalde diep adem. Toen bekende hij:
‘De schapen zijn op.’ ‘Dat is niet zo mooi, koning,’ zei de draak,
‘dan zal ik jou en je vriendje moeten opeten! Wrahaha!’
De raadsman verschool zich bibberend van schrik achter de koning, maar
die zei moedig: ‘Dat zou u kunnen doen, maar wie gaat er dan voor zorgen
dat u elke dag te eten krijgt?’ ‘Ach, koning… ik maakte maar een
grapje,’ zei de draak op z’n liefste toon en de raadsman keek meteen
opgelucht. ‘Oude kerels als jullie zijn trouwens veel te taai… maar weet
je wat?’ De draak keek opeens weer heel gemeen. ‘Bezorg mij voortaan
elke ochtend een jong meisje als ontbijt! Wrahaha! Héérlijk!’
De koning en zijn raadsman waren geschokt. ‘Een… een… jong meisje?!’
stotterde de koning verbijsterd. ‘Ik kan u verse vis laten brengen of
heerlijke hammetjes. Mijn kok kan dagelijks een maaltijd voor u bereiden
met pittige pepers en het fijnste fruit.’
De koning noemde nog meer
lekkere dingen op om de draak op andere gedachten te brengen. ‘Nee,
koninkje… een lekker mals meisje moet het zijn… elke dag één! En
anders zwaait er wat!’ brulde de draak woest. Hij draaide zich om en
met een verschrikkelijke zwieper van zijn staart slingerde hij de
twee mannen het moeras uit.
Kletsnat en verfomfaaid keerden ze wat later terug op het kasteel. ‘Roep
de bevolking bij elkaar,’ zei de koning. ‘Ik heb iets zeer belangrijks
mede te delen.’
Niet veel later stonden er honderden mensen op de binnenplaats van het
kasteel. De koning sprak hen ferm toe: ‘Beste mensen! Nu de draak al
onze schapen heeft opgegeten, wil hij niets anders dan elke dag een van
onze meisjes als ontbijt. Daarom zullen we elke ochtend een meisje
moeten offeren. ’Er klonk een verschrikt geroezemoes. ‘Ik begrijp hoe u zich voelt en ik
voel met u mee,’ zei de koning met een zachtere stem, ‘maar we weten
allemaal wat de draak kan aanrichten als we niet doen wat hij zegt. Hij zal
uit zijn moeras komen en dood en verderf zaaien in onze straten… hij zal
onze huizen in brand steken en zorgen voor overstromingen…’ De koning
zweeg even en keek naar zijn volk.
Toen ging hij verder: ‘Zolang de draak
nog leeft móeten we dus wel doen wat hij van ons verlangt. Intussen loof ik
duizend en één dukaten uit voor degene die hem verslaat. Laten we hopen
dat we op die manier snel van het monster verlost zijn!’
Vervolgens zette de raadsman een grote kelk op het podium waarin
honderden briefjes gestopt werden. Daarop stonden de namen van alle
meisjes uit het hele land. De koning husselde alle papiertjes door elkaar
en zei: ‘Voortaan zal ik elke dag één briefje trekken. Het meisje wier
naam ik voorlees zal de volgende ochtend geofferd worden.’ De koning kon
zijn tranen bijna niet inhouden toen hij zijn hand in de kelk stak. Maar
opeens klonk het: ‘Stop!’ Daar stond de dochter van de koning. ‘U bent
mij nog vergeten, vader,’ zei de prinses zacht en ze gooide dapper haar
eigen naam bij de andere briefjes. ‘M-m-maar liefje…,’ stamelde de
koning, hoewel hij meteen begreep dat het geen zin had om zijn dochter
tegen te spreken.
In het hele land liet de koning aanplakbiljetten ophangen. Er stond op:
Het sprookje van Joris en de Draak dient als achtergrondverhaal voor de bijbehorende attractie. De vertelling werd geschreven door Eftelingarchivaris Gerrie van Dongen en haar partner Ad Grooten, die eerder onder meer het Sprookjesboek van de Efteling uit 2009 schreef en het script van Sprookjesboom de Musical.